Het bleek al snel een van de lastigste vragen van de dag: met welke dominante systemen werk jij eigenlijk in jouw transitieproject? Tijdens de ESCuela training van 13 april, onder leiding van Anja Overdiek, gingen deelnemers aan de slag met de SOcial Design Impact Methode (SODIM). De methode brengt hefboomgebieden in systemen in kaart: plekken waar ontwerpers maatschappelijke impact kunnen bereiken. Ze geeft daarbij taal, gevoel en handvatten om te navigeren in dominante systemen. In deze blog blikken we terug op de inzichten van de dag.
We begonnen de dag met het aanbrengen van nuance: wat bedoelen we als we het hebben over grote begrippen als ‘impact’ en een ‘systeem’. Met name impact is voor social designers soms lastig om vast te pakken en echt te duiden in een ontwerpproject, zeker als het gaat om blijvende invloed op bestaande systemen zoals de gezondheidszorg of een gemeente. De SODIM kan worden ingezet om de gewenste en mogelijke invloed, die kan leiden tot impact, vast te stellen.
Daarnaast is de methode bij uitstek geschikt om samen met stakeholders of een opdrachtgever een gedeeld begrip en commitment te krijgen. Bijvoorbeeld om focus te bepalen in een project, of juist om te reflecteren op de bereikte impact. Dit vraagt van betrokkenen om sensitiviteit voor de positieve óf negatieve effecten die geplande/potentiële acties zullen hebben op betrokkenen in het systeem. Hiermee legt SODIM de basis voor een Systemisch Co-Design (SCD) project dat een nieuwe taal nodig heeft om relaties te veranderen.
Foto’s: Deelnemers bij het brainstormen met de SODIM canvas.
Vervolgens gingen we aan de slag met het eerste canvas uit de SODIM. Deze gaat in op de vraag wat de relevante systemen zijn waar een project mee in aanraking komt. Door dit in groepjes voor eigen projecten uit te werken, werd al gauw duidelijk dat het best lastig is om te bepalen met welke systemen je eigenlijk werkt. De SODIM methode (Overdiek & van der Touw, 2024) zelf gebruikt de definitie: ‘een stelsel bestaand uit meerdere onderdelen (mensen, plekken, organisaties…) die allemaal in relatie tot elkaar staan en een gezamenlijk doel hebben.’ Anja noemde voorbeelden van systemen die helpen om een beeld te scheppen bij deze definitie, zoals een gemeente of een ziekenhuis.
Een deelnemer zei hierover: “Ik waardeerde Anja’s duidelijke uitleg en begeleiding bij het invullen van de canvassen. Het meest waardevol vond ik om de methode te leren kennen en de structuur die deze biedt om de impact van sociaal ontwerp op verschillende niveaus te bekijken.”
Vervolgens gingen we in op de ‘hefboomgebieden’, ofwel specifieke plekken in een systeem, waar kleine veranderingen veel invloed hebben op het geheel (Meadows, 1997). Een van die hefboomgebieden is bijvoorbeeld het systeemdoel. Anja gebruikt het voorbeeld van een ziekenhuis als systeem. Op dit moment is het systeemdoel daar om zieke mensen te behandelen, maar als dit zou veranderen naar gezonde mensen gezond houden, zou het hele systeem op de schop moeten.
Foto’s: Anja bij het toelichten van de vier concentrisch afgebeelde hefboomgebieden (links). Deelnemers bij het bepalen van rollen, plekken en structuren die ze tegenkomen in de verschillende hefboomgebieden (rechts).
Echt tot leven komt de methode in de middag tijdens een systeemopstelling, die we maken met de methode als plattegrond. De deelnemers kunnen intussen systemen goed duiden. Marjolein Vermeulen van MV design (die naast vier andere bureaus de methode mee heeft ontworpen) schuift aan met een casus uit haar praktijk. Op de vloer waren ringen uitgetekend, die de ingenestelde hefboomgebieden vertegenwoordigden. Dit gaf een nieuwe laag aan de zichtbaarheid en lichamelijke ervaring tussen verschillende stakeholders en de hefboomgebieden zelf. Én leidde tot nieuwe inzichten, bijvoorbeeld dat het in een project belangrijk is dat op meerdere hefboomgebieden aandacht zit. Zo hebben bij gebiedsorgaven vaak actoren in sociale relaties middelen nodig die alleen losgemaakt kunnen worden door actoren op het niveau van systeemdoelen en visies.
Marjolein: “Het is spannend omdat de opstelling op de SODIM methode altijd iets blootlegt, waar je als ontwerper minder bewust mee bezig was. Durf je daarnaar te kijken? Blinde vlekken komen in beeld, ook systeemdoelen, waar je dan weer op kunt acteren.”
Foto’s: Deelnemers tijdens de systeemopstelling op impactgebieden: een manier om de refexiviteit van het systeem te bevorderen.
Na ervaringen met twee opstellingen gingen we in gesprek over het gebruik van deze aanpak in een project: ben je comfortabel om dit zelf met een opdrachtgever en representanten te doen? We spraken over de twijfel of het niet te momentafhankelijke inzichten geeft en te subjectief kan voelen om ontwerp- of proceskeuzes op te baseren. Vooral deelnemers met geen of weinig praktijkervaring met opstellingen deelden dit gevoel. Voor meer ervaren opstellers lijkt het natuurlijker om uit te gaan van de wijsheid in deze methode. Anja moedigde aan om vooral ook te experimenteren met het combineren van SODIM met andere werkvormen die creativiteit, de ruimte en “samen maken” gebruiken. Dit vraagt een sensitiviteit voor hoe betrokkenen relateren aan elkaar.
In het kader van monitoring van SCD-processen kan de SODIM tevens goed worden ingezet om aan de start van een project als nulmeting te doen en periodiek opnieuw in te zetten om te monitoren of evalueren.
Conclusie
De Social Design Impact methode biedt een gedeelde taal om over systemen en impact te praten. Bovendien geeft ze een handvat om te navigeren en impact te maken in samenspel met dominante systemen. Of je de methode nu inzet om focus te bepalen aan het begin van een project, of om achteraf te reflecteren op wat er is bereikt, de structuur helpt om grip te krijgen op iets wat anders ongrijpbaar blijft. Wat de training voelbaar maakte, is hoe sterk de methode tot zijn recht komt wanneer je haar samen toepast. Pas als je met anderen in gesprek gaat over de systemen waar je in werkt, en ook gevoelens een plek geeft, wordt duidelijk hoe complex en hoe rijk die context eigenlijk is.
De Social Design Impact methode bouwt voort op het model van Anna Birney (2012) en is ontwikkeld door onderzoekers van het lectoraat Cybersocial Design (Hogeschool Rotterdam) en lectoraat HEMD (Hogeschool Utrecht) en wordt toegepast in zowel onderwijs als praktijk. Je vindt de methode hier in onze kennisbank.